top of page

HR 25-09-2020 Combinatie ambulante zorg met (voorwaardelijke) opname

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zorgmachtiging. Ambulante verplichte zorg kan gecombineerd worden met voorwaardelijke verplichte zorg bestaande in opname in een accommodatie. Geen nieuwe medische verklaring vereist als de zorgverantwoordelijke tijdens de geldigheidsduur van de zorgmachtiging besluit betrokkene te doen opnemen in een accomodatie. Voldoende waarborgen.


Ambulante verplichte zorg kan gecombineerd worden met voorwaardelijke verplichte zorg bestaande in opname in een accommodatie

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank in rov. 2.2.1-2.2.3 dat alleen als betrokkene zijn medicatie weigert en het ziektebeeld verergert, gebruik kan worden gemaakt van verplichte zorg die bestaat in het opnemen in een accommodatie. Het onderdeel betoogt dat voor een voorwaardelijke zorgmachtiging geen wettelijke grondslag bestaat. Daarnaast voert het onderdeel aan dat de door de rechtbank gegeven machtiging, mede door de gebruikte formulering, te vaag en daarom onbegrijpelijk is ten aanzien van het moment en de duur van de opname in een accommodatie.

3.1.2

Met de invoering van de Wvggz op 1 januari 2020 is de mogelijkheid ontstaan om op grond van een zorgmachtiging verplichte zorg te verlenen zonder dat daarvoor een opname in een accommodatie is vereist. Art. 3:2 lid 2 Wvggz bepaalt limitatief welke vormen van verplichte zorg mogelijk zijn (zie HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.2.2.). Art. 2:4 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 2.1 Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg regelt daarnaast welke vormen van verplichte ambulante zorg zijn toegestaan. De verschillende vormen van verplichte zorg kunnen in een zorgmachtiging worden gecombineerd (vgl. art. 6:4 leden 1 en 2 in verbinding met art. 5:17 lid 2 Wvggz). Hiermee heeft de wetgever beoogd dat passende zorg wordt geboden, in die zin dat het mogelijk wordt om binnen het bereik van een zorgmachtiging te kiezen voor de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van verplichte zorg (zie Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 72 en Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 89). De zorgverantwoordelijke beslist welke vorm van zorg gedurende de geldigheidsduur van de machtiging wordt verleend (art. 8:7-8:9 Wvggz).

3.1.3

De Wvggz staat niet eraan in de weg dat in een zorgmachtiging een voorwaarde aan een vorm van verplichte zorg wordt verbonden om zeker te stellen dat de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van zorg wordt geboden. Een dergelijke voorwaarde past bij het hiervoor in 3.1.2 beschreven doel van de Wvggz (Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 12-13 en Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 157). Het is dus mogelijk dat in een zorgmachtiging ambulante verplichte zorg wordt gecombineerd met verplichte zorg die bestaat in het “opnemen in een accommodatie” (art. 3:2 lid 2, onder j, Wvggz), waarbij voor laatstgenoemde vorm van zorg als voorwaarde geldt dat ambulante verplichte zorg niet meer volstaat en het opnemen in een accommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden.

3.1.4

In dit geval heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend voor het ambulant toedienen van medicatie en, onder de voorwaarde dat betrokkene medicatie weigert waardoor het ziektebeeld verergert, voor het opnemen van betrokkene in een accommodatie. De rechtbank benadrukt daarbij dat deze vormen van verplichte zorg slechts worden gelegitimeerd wanneer betrokkene zijn medicatie niet goed inneemt als gevolg waarvan het ziektebeeld kan ontregelen (rov. 2.2.3).

In het zorgplan heeft de zorgverantwoordelijke vermeld dat indien de situatie ambulant verslechtert en er opnieuw sprake zal zijn van ernstig nadeel, besloten kan worden opnieuw in te zetten op een verplichte opname in een accommodatie (zie hiervoor in 2.2 onder (iii)). De verpleegkundig specialist heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij op basis van de afgelopen jaren niet het vertrouwen heeft dat betrokkene zijn depotmedicatie blijft accepteren en dat zij graag zou zien dat betrokkene kan worden opgenomen als hij zijn medicatie niet langer gebruikt, in de vorm van een “soort voorwaardelijke machtiging” (zie hiervoor in 2.3.1).

Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting in het zorgplan en de opmerking van de verpleegkundig specialist tijdens de mondelinge behandeling, heeft de rechtbank klaarblijkelijk bedoeld om een zorgmachtiging te verlenen voor het ambulant toedienen van medicatie in combinatie met een machtiging tot het opnemen van betrokkene in een accommodatie voor het geval het ambulant toedienen van medicatie niet meer volstaat en het opnemen in een accommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3.1.5

Gelet op het voorgaande, falen de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten.

(...)


Geen nieuwe medische verklaring nodig


4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Het middel in het incidentele beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.2.5 dat ondanks verlening van de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, een recente medische verklaring nodig zal zijn als pas over een aantal maanden aan de orde is dat betrokkene moet worden opgenomen in een accommodatie. Het middel voert in de kern aan dat dit oordeel niet past in het systeem van de Wvggz.

4.2

Ten behoeve van de voorbereiding van een verzoekschrift tot verlening van een zorgmachtiging, dient een psychiater een medische verklaring op te stellen (art. 5:8 in verbinding met art. 5:9 Wvggz).

Een zorgmachtiging wordt mede op basis van deze medische verklaring verleend (art. 6:4 leden 1 en 2 Wvggz). De rechter dient een zorgmachtiging te verlenen voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, waarbij afhankelijk van het soort machtiging een maximale duur van zes maanden, twaalf maanden of twee jaar geldt (art. 6:5 Wvggz).

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging niet beslissen tot het verlenen van verplichte zorg dan nadat hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene overleg heeft gevoerd over de voorgenomen beslissing en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur (art. 8:9 lid 1 Wvggz). Tegen een beslissing van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg staat een rechtsmiddel open (art. 10:3, aanhef en onder f, Wvggz en art. 10:7 lid 1 Wvggz). Uit het voorgaande volgt dat de ruimte van de zorgverantwoordelijke om binnen de kaders van de zorgmachtiging en tijdens de geldigheidsduur daarvan te beslissen welke vorm van verplichte zorg daadwerkelijk aan de betrokkene wordt verleend, is omkleed met diverse waarborgen.

Met dit systeem strookt niet dat aan een zorgmachtiging de voorwaarde wordt verbonden dat een recente medische verklaring wordt verkregen als de zorgverantwoordelijke op een moment gelegen binnen de geldigheidsduur van de machtiging beslist om een vorm van verplichte zorg te verlenen waarvoor de machtiging is gegeven. Indien de rechter van oordeel is dat na verloop van een bepaalde periode niet zonder recente medische verklaring voor een bepaalde vorm van zorg kan worden gekozen, dient hij de geldigheidsduur van de zorgmachtiging voor die vorm van zorg tot die periode te beperken. Het middel is dus gegrond. 4.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de beschikking van de rechtbank te vernietigen wat betreft het hiervoor in 4.1 genoemde oordeel in rov. 2.2.5.




49 weergaven

Comments


bottom of page