top of page

Jurisprudentie-overzicht schadevergoeding

Schadevergoeding ivm onrechtmatige verplichte zorg


Rb Amsterdam 27 juni 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:4670)


Verzoek schadevergoeding toegewezen. Opname in psychiatrisch ziekenhuis onrechtmatig. Gevorderde aan proceskosten afgewezen in verband met afgifte last tot toevoeging.


Vooraf van de redactie (wettelijk kader):


Artikel 10.12 Wvggz bepaalt:


1. Indien de wet niet in acht is genomen bij het nemen van een crisismaatregel, of bij de toepassing van artikel 7:3 kan betrokkene of de vertegenwoordiger door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de rechter verzoeken tot schadevergoeding door respectievelijk de gemeente of de organisaties onder wiens verantwoordelijkheid de personen, bedoeld in artikel 7:3, vierde lid, hebben gehandeld. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.


2. Indien de wet niet in acht is genomen door de geneesheer-directeur of de zorgverantwoordelijke, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.


3. Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.


In deze zaak, waar de Officier van Justitie te laat een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel had gedaan en er pas 12 dagen later een nieuwe crisismaatregel werd uitgeschreven, had betrokkene dus onrechtmatig 12 dagen verplichte zorg ontvangen.


De uitspraak vermeldt niets over wat gesteld is over de schade: bijvoorbeeld, gederfde levensvreugd, in spanning geleefd hebben. Dit moet dus door de advocaat in het verzoek tot schadevergoeding wel worden onderbouwd!


Hieronder de relevante overwegingen:


2. Beoordeling


2.1.

Voor betrokkene is door de burgermeester een crisismaatregel afgegeven die eindigde per 12 april 2023. Omdat de officier van justitie niet binnen de termijn genoemd in artikel 7:7 van de Wvggz een verzoek heeft ingediend om deze crisismaatregel voort te zetten, liep de maatregel af per 12 april 2023. Op 26 april 2023 heeft de burgermeester kennelijk voor betrokkene een nieuwe crisismaatregel afgegeven en op 28 april 2023 is het verzoek om een zorgmachtiging voor betrokkene door de rechtbank toegewezen.

2.2.

Betrokkene heeft – zonder dat hij dit wist – tussen 12 april 2023 en 26 april 2023, twaalf dagen, zonder titel verplichte zorg ontvangen en in dat kader in een psychiatrisch ziekenhuis verbleven. Tussen partijen staat niet ter discussie dat dit onrechtmatig was, betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden en betrokkene schadevergoeding van artikel 10:12 lid 3 Wvggz toekomt. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de hoogte van de schadevergoeding, te weten € 900,- bestaande uit 12 dagen x € 75,- per dag. De rechtbank acht dit billijk en zal het verzoek tot schadevergoeding tot dit bedrag toewijzen. De raadsvrouw heeft ook verzocht om de Staat te veroordelen in de kosten van de procedure, namelijk de rechtsbijstand, tot een bedrag van €968,- Voor dit bedrag heeft de raadsvrouw aansluiting gezocht bij haar uurtarief. Het is de rechtbank gebleken dat het dossier een last tot toevoeging bevat met bovenstaand zaak- en rekestnummer. Het gevorderde aan proceskosten zal de rechtbank daarom afwijzen nu voor dit verzoek geen griffierecht in rekening wordt gebracht en niet is gebleken dat in het kader van dit verzoek naast de toevoeging daadwerkelijk advocaatkosten ten laste van verzoekster komen.


Schadevergoeding na hoger beroep tegen crisismaatregel


Rb Amsterdam 22-05-2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:3515)


Beroep tegen CM. Betrokkene via beeldbellen onderzocht door andere psychiater dan degene die de medische verklaring heeft ondertekend. 24 uur na beslissing CM met ontslag. Niet voldaan aan algemene beginselen. Procesverantwoordelijkheid burgemeester.


4.9.

Op grond van artikel 10:12 van de Wvggz kan verzoekster door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de rechter verzoeken tot schadevergoeding door respectievelijk de gemeente of de organisaties onder wiens verantwoordelijkheid de personen, bedoeld in artikel 7:3, vierde lid van de Wvggz hebben gehandeld, als de wet niet in acht genomen is bij het nemen van een crisismaatregel, of bij de toepassing van artikel 7:3 van de Wvggz. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.


4.10.

Verzoekster stelt schade te hebben geleden als gevolg van de ten onrechte opgelegde crisismaatregel, nu zij voorafgaand aan en tijdens de crisismaatregel ernstige stress heeft ervaren, terwijl zij op dat moment hoogzwanger was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster schade geleden als gevolg van het door of namens de burgemeester niet in acht nemen van de wet, zoals hiervoor is overwogen. Verzoekster heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.


4.11.

Verzoekster vraagt € 200,- euro per dag voor deze geleden schade. De rechtbank acht dit bedrag redelijk en billijk nu verzoekster onterecht van haar vrijheid is benomen en, zoals door de advocaat van verzoekster gesteld, binnen 24 uur weer is ontslagen uit de instelling.


4.12.

Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de schade van verzoekster die naar billijkheid en in overeenstemming met de omstandigheden van dit specifieke geval wordt vastgesteld op een bedrag van € 200,-.

Schadevergoeding na cassatie tegen voortzetting van een crisismaatregel en terugverwijzing naar de rechtbank


Rb Noord-Holland 12 juli 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:6583)


Voor verplichte zorg met opname wordt een (immateriële) schadevergoeding van € 100,00 per dag toegekend en voor verplichte zorg zonder opname wordt een schadevergoeding van € 50,00 per dag toegekend.


Schadevergoeding na verplichte zorg zonder titel


Rb Amsterdam 21-06-2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:3983)


Verplichte zorg (opname) na afloop termijn in zorgmachtiging.


Materiële schadevergoeding


3.3.

De rechtbank stelt vast dat verzoekster gedurende 4,5 maand, te weten tussen 13 augustus 2021 en 28 december 2021, een maandelijkse eigen bijdrage van € 511,00 aan het CAK heeft betaald. Indien de opname op een rechtsgeldige titel (Wvggz) was gebaseerd zou de zorgmachtiging niet naast het indicatiebesluit hebben bestaan. Verzoekster had de maandelijkse WIz-bijdrage dan dus niet hoeven betalen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze schade aan verzoekster dient te vergoeden en zal dan ook bepalen dat verweerder een bedrag van € 2.299,50 (4,5 maanden x € 511,00) aan verzoekster dient te vergoeden.


Immateriële schadevergoeding

3.4.

De rechtbank stelt verder vast dat verzoekster gedurende 137 dagen, te weten tussen 13 augustus 2021 en 28 december 2021, ten onrechte en zonder grondslag in haar vrijheden is beperkt. Verzoekster heeft een bedrag van € 75,- per dag verzocht. Zij heeft hierbij gewezen op haar kwetsbare gesteldheid, de gevoelens van onzekerheid die bij haar hebben bestaan gedurende vele maanden, en het feit dat bij verzoekster het geschonden vertrouwen nog steeds niet is hersteld.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de feiten en omstandigheden een schadevergoeding van € 75,00 per dag redelijk en billijk is . Mogelijk zou verzoekster bij een juist verlopen traject en procedure, eveneens in haar vrijheden beperkt zou zijn geweest, maar dat maakt het oordeel niet anders. De immateriële schadevergoeding ziet immers (met name) op de gevoelens van onzekerheid en ongerustheid en de verwarring die maandenlang hebben bestaan bij verzoekster. Het standpunt van verweerder dat verzoekster –vanwege de Wlz-beschikking- had kunnen weten of begrijpen dat opname in een kliniek noodzakelijk was, miskent naar het oordeel van de rechtbank dat bij verzoekster sprake is van een psychische stoornis en een verstandelijke beperking. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het systeem van wet- en regelgeving kennelijk ook voor verweerder zo ingewikkeld was, dat het niet is gelukt om verzoekster met een geldige titel te laten opnemen.


3.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat verweerder een bedrag van € 10.275,00 (137 dagen x € 75,00) aan immateriële schade aan verzoekster dient te vergoeden.


Schadevergoeding na klacht over dwangmedicatie


Rb Den Haag 25-04-2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6556)


De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde stukken en wat op de zitting op 21 maart 2023 naar voren is gebracht, onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van ernstig nadeel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De zorgaanbieder stelt dat er incidenten zijn geweest op het universiteitsterrein en dat verzoeker een gevaar is voor derden. Dit wordt door verzoeker betwist en is vervolgens door de zorgaanbieder op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Dat er geweldsincidenten zijn geweest waarbij derden gewond zijn geraakt blijkt nergens uit, behalve uit de verklaring van de psychiater [psychiater02] . Er zijn geen e-mails of andere stukken van de universiteit of de politie overgelegd waaruit volgt dat verzoeker betrokken is geweest bij incidenten. Hiermee heeft de zorgaanbieder, in het licht van de betwisting van verzoeker, onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van ernstig nadeel. Daarmee is onvoldoende gemotiveerd dat de toepassing van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie proportioneel en noodzakelijk is.


Verder is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Na de overplaatsing van verzoeker is zijn medicatie gestaakt. Hij heeft slechts één keer depotmedicatie gehad (op 25 januari 2023) en daarna niet meer. Het gaat nu goed met verzoeker en hij is volgens de huidige behandelend psychiater [psychiater01] geen gevaar voor zichzelf of derden. Dit geeft reden om aan te nemen dat er een minder bezwarend alternatief was en is dan dwangmedicatie, te weten rust, zoals gesteld door verzoeker.

Ten aanzien van de schadevergoeding

Op grond van artikel 10:11, tweede lid, Wvggz kan verzoeker bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, Wvggz bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken. De schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.


De rechtbank is van oordeel dat verzoeker voldoende heeft gemotiveerd dat hij vanwege het niet in acht nemen van de wet bij het toedienen van depotmedicatie immateriële schade heeft geleden. Met het toedienen van depotmedicatie tegen iemands wil wordt inbreuk gemaakt op iemands lichamelijke integriteit en dat levert per definitie immateriële schade op. Tegen deze achtergrond kan worden overgegaan tot het toekennen van een schadevergoeding.


De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de ernst van de onrechtmatigheid en vooral met de gevolgen hiervan voor verzoeker. Als gevolg van de beslissing van de zorgverantwoordelijke is één keer depotmedicatie toegediend aan betrokkene op 25 januari 2023. De rechtbank kent op grond hiervan voor de inbreuk op de lichamelijke integriteit een bedrag van € 200,- toe. Verder is de aanzegging tot het verlenen van verplichte zorg niet opgeheven door de zorgverantwoordelijke nadat besloten was dat dwangmedicatie niet meer nodig was, waardoor verzoeker immateriële schade heeft geleden door de stress van de mogelijkheid van dwangmedicatie. De rechtbank kent op grond hiervan een bedrag van € 100,- toe.


Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen en verweerder veroordelen tot vergoeding van de schade die naar billijkheid wordt vastgesteld op een bedrag van €300,-.


Schadevergoeding wegens termijnoverschrijding bij voorbereiding zorgmachtiging


HR 31-03-2023 (ECLI:NL:HR:2023:504)


De Officier van Justitie pas op 2 september 2020 de brief ex art. 5:16 lid 1 Wvggz aan betrokkene gestuurd, dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, terwijl de Geneesheer-Directeur al op 8 juni 2020 een brief aan betrokkene had gestuurd dat de OvJ had besloten een zorgmachtiging te gaan voorbereiden (art. 5.4 lid 2 sub a Wvggz). Op grond van art. 5:16 lid 1 Wvggz had de OvJ deze brief binnen 4 weken na de brief van de GD ex art. 5:4 lid 2 sub a Wvggz moeten sturen (behoudens verlenging met 2 weken bij opschorting voorbereiding i.v.m. eigen plan van aanpak).


Een termijnoverschrijding met 57 dagen en betrokkene had de rechtbank gevraagd op de voet van art. 10:12 lid 3 Wvggz een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen.


Het Gerechtshof (GH Den Haag 15-06-2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:1403) had in deze zaak geoordeeld:


"

5.11

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval voldoende aannemelijk is geworden dat de termijnoverschrijding immateriële schade aan de zijde van verweerder heeft veroorzaakt. Door de termijnoverschrijding heeft verweerder naar zijn stelling lange tijd in onzekerheid verkeerd en stress ervaren over de vraag of de officier daadwerkelijk zal overgaan tot de indiening van een verzoek tot een zorgmachtiging bij de rechtbank en, zo ja, of dat verzoek door de rechtbank zou worden toegewezen. Dat de rechtbank Rotterdam bij haar onherroepelijke beschikking van 23 september 2020 anders heeft overwogen, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. Het hof verwijst in dit verband naar de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking onder rechtsoverweging 3.7, welke overwegingen het hof – na een eigen afweging – overneemt en tot de zijne maakt. Dit betekent dat aan verweerder een schadevergoeding moet worden toegekend voor de duur van de termijnoverschrijding. Het hof gaat daarbij voorts voorbij aan de stelling van de officier dat de omstandigheid dat verweerder enige tijd gedurende de voorbereiding van de zorgmachtiging vrijwillig zorg heeft geaccepteerd en de voorbereiding van de zorgmachtiging is geschorst in dit verband een rol speelt. Het hof verwijst hiervoor naar het in rechtsoverweging 5.10 van deze beschikking overwogene, waarbij het hof tot de conclusie komt dat de vraag in wiens risicosfeer de termijnoverschrijding ligt niet relevant is bij het bepalen van het recht op schadevergoeding.


5.12

Mede met inachtneming van het vorenoverwogene, is het hof voorts van oordeel dat, alhoewel in de rechtspraak niet één lijn wordt getrokken of vaste uitgangspunten gelden wat betreft de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding per dag, in dit geval onvoldoende gesteld of gebleken is dat de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding van € 10,- per dag niet billijk is."


De Officier van Justitie had cassatie ingesteld. De Hoge Raad geeft in het arrest HR 31-03-2023 (ECLI:NL:HR:2023:504) een paar verhelderende overwegingen over hoe om te gaan met schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de wet door de OvJ of de rechter (in deze casus ging het om termijnoverschrijding door de OvJ):


"

3.3

Om meer duidelijkheid te geven over schadevergoeding wegens overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz zal de Hoge Raad hierna in 3.4-3.7 naar aanleiding van een aantal klachten van het middel ten overvloede enige overwegingen geven. De Hoge Raad neemt daarbij tot uitgangspunt dat de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz niet op de voet van art. 5:5 lid 5 Wvggz gedurende twee weken is geschorst.


3.4

Indien door de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn is overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, is uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn.3 De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW. Indien slechts sprake is van een geringe overschrijding van de beslistermijn en de rechter van oordeel is dat in de vaststelling dat de beslistermijn is overschreden afdoende genoegdoening is gelegen voor het nadeel dat de betrokkene door de termijnoverschrijding heeft ondervonden, kan de rechter met deze vaststelling volstaan.4

3.5

Geen aanspraak op schadevergoeding bestaat indien en voor zover de termijnoverschrijding aan de betrokkene is te wijten. De omstandigheid dat de betrokkene enige tijd vrijwillig zorg heeft geaccepteerd, vormt geen grond om te oordelen dat de termijnoverschrijding aan de betrokkene is te wijten.


3.6

Op praktische gronden en met het oog op een voortvarende afhandeling van verzoeken om schadevergoeding verdient het aanbeveling daarvoor als uitgangspunt forfaitaire bedragen te hanteren, waarvan op grond van bijzondere omstandigheden van het geval kan worden afgeweken.


3.7

Uit het voorgaande volgt dat het hof op basis van de stelling van de betrokkene dat hij door de termijnoverschrijding lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd en stress heeft ervaren, tot uitgangspunt mocht nemen dat betrokkene immateriële schade heeft geleden als gevolg van de termijnoverschrijding. Het hof heeft evenwel in rov. 5.10 ten onrechte in algemene zin geoordeeld dat de omstandigheden van het geval voor het recht op schadevergoeding niet relevant zijn. Bij gebrek aan belang kan dat, zoals hiervoor in 3.2 is overwogen, evenwel niet tot cassatie leiden."


De overwegingen van de Hoge Raad waren ten overvloede, omdat de HR het beroep in cassatie van de OvJ had verworpen bij gebrek aan belang (de OvJ had aangegeven de schadevergoeding gewoon te zullen betalen en niet terug te vorderen).


bottom of page