top of page

Rb Gld 16-04-2026: Aanvulling vormen verplichte zorg mag niet ook bij wijziging ZM

  • Foto van schrijver: Redactie
    Redactie
  • 5 dagen geleden
  • 4 minuten om te lezen

Afwijzing wijziging zorgmachtiging ex. art. 8:12 lid 5 Wvggz. Hoewel de geneesheer-directeur heeft gevraagd om de zorgvormen ‘insluiten’ en ‘het uitoefenen van toezicht’ toe te voegen, heeft de officier van justitie alleen verzocht om de zorgvorm ‘insluiten’ toe te voegen. Insluiten zonder het uitoefenen van toezicht is praktisch niet uitvoerbaar en onwenselijk. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de zorgvorm ambtshalve toe te voegen. Art. 5:17 lid 1 Wvggz is alleen voor de aanvraag van de zorgmachtiging geregeld en in art. 5:17 lid 5 Wvggz is geen bepaling opgenomen overeenkomstig art. 6:4 lid 2 Wvggz (op grond waarvan de rechter ook andere vormen van verplichte zorg dan verzocht kan toewijzen). De rechtbank gaat daarom terughoudend om met het analoog toepassen van art. 6:4 lid 2 Wvggz.


beschikking zorgmachtiging


RECHTBANK GELDERLAND


Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zutphen

Zaaknummer: C/05/465914 / FZ RK 26-995

Datum uitspraak: 16 april 2026


beschikking zorgmachtiging

op het verzoek van de officier van justitie voor


[naam betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. H. Hooijer in Zeist.


1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 15 april 2026.


1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

- mw. [naam psychiater] , als psychiater verbonden aan Tactus in Zutphen;

- twee begeleiders van betrokkene, verbonden aan Tactus in Zutphen.


2 Wat vaststaat

2.1.

Rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 24 december 2025, op schrift gesteld op 9 januari 2026 en verbeterd bij herstelbeschikking van 22 januari 2026, een zorgmachtiging verleend tot en met 24 juni 2026.


3 Het verzoek

3.1.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om wijziging van de zorgmachtiging.


4 Beoordeling

4.1.

De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.


4.2.

Uit de stukken en de zitting blijkt dat sprake is (geweest) van een (dreigende) noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene is na een psychotische ontregeling afgezonderd op een support room met cameratoezicht naar aanleiding van verbale en fysieke agressie tegen personen en goederen. Betrokkene was na drie dagen nog onvoldoende opgeklaard van de decompensatie.


4.3.

De officier van justitie heeft om deze redenen verzocht om insluiten als vorm van verplichte zorg toe te voegen aan de zorgmachtiging.


4.4.

Uit de beschikking van Rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2025 volgt dat de volgende vormen van verplichte zorg zijn toegewezen:

  • het toedienen van medicatie;

  • het verrichten van medische controles;

  • het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoomis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten,


en als het ernstige nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:

  • het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

  • opnemen in een accommodatie.


4.5.

Uit de motivering van de herstelbeschikking van 22 januari 2026 volgt uitdrukkelijk dat toezicht niet als zorgvorm is opgenomen. Dit stond abusievelijk in de beschikking van 9 januari 2026 vermeld.


4.6.

De geneesheer-directeur heeft de officier van justitie verzocht als aanvullende vorm van zorg insluiten met cameratoezicht te verzoeken. De officier van justitie heeft alleen verzocht om insluiten toe te voegen als vorm van verpzlichte zorg.


4.7.

Insluiten zonder toezicht is praktisch niet uitvoerbaar en ook onwenselijk, omdat het mogelijk moet zijn wanneer iemand is ingesloten cameratoezicht te houden, zoals ook volgt uit de aanvraag van de geneesheer-directeur.


4.8.

De advocaat van betrokkene heeft bepleit dat - anders dan bij een beslissing op een aanvraag van een zorgmachtiging - in een situatie waarin een wijziging van de zorgmachtiging wordt gevraagd, niet de mogelijkheid bestaat voor de rechtbank om ambtshalve zorgvormen toe te voegen.


4.9.

Artikel 6:4 lid 2 Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de rechter van oordeel is dat met de in het zorgplan of de medische verklaring opgenomen zorg het ernstige nadeel niet kan worden weggenomen, hij in de zorgmachtiging, in afwijking van het verzoekschrift, bedoeld in artikel 5:17 lid 1 andere verplichte zorg of doelen van verplichte zorg kan opnemen. In artikel 5:17 lid 1 Wvggz is alleen de aanvraag van de zorgmachtiging geregeld. De wijziging van de zorgmachtiging is geregeld in artikel 8:12 lid 5 Wvggz. In dat artikel is geen bepaling opgenomen overeenkomstig artikel 6:4 lid 2. Naar de letter van de wet klopt het betoog van de advocaat van betrokkene dus. In de praktijk wordt artikel 6:4 lid 2 Wvggz in dit soort situaties soms analoog toegepast1, maar het is de rechtbank niet bekend dat de Hoge Raad over die mogelijkheid al heeft geoordeeld. Daarin ziet de rechtbank aanleiding hier terughoudend mee om te gaan. In dit geval leidt dat tot afwijzing van het verzoek. Daarbij spelen twee overwegingen een rol. In de eerste plaats heeft Rechtbank Midden-Nederland zich bij het verlenen van de onderhavige zorgmachtiging al uitgelaten over toezicht en dat expliciet niet toegewezen. Dan ligt het niet voor de hand om - als dat al mogelijk zou zijn - lopende diezelfde zorgmachtiging die zorgvorm ambtshalve weer toe te voegen. Daar komt bij dat in de bekendmaking aan belanghebbende van de inzet van tijdelijke extra verplichte zorg ook alleen insluiten is aangevinkt. Dat ook het besluit van de geneesheer-directeur, waarin cameratoezicht wel is genoemd, aan hem is meegedeeld, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. In de gegeven omstandigheden zal de rechtbank dus niet overgaan tot analoge toepassing van artikel 6:4 lid 2 Wvggz.


4.10.

Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek af.


5 Beslissing


De rechtbank wijst het verzoek af.


Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Ünal, griffier en op schrift gesteld op 23 april 2026.


Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel cassatie open.


RBGEL:2026:4330

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
VERENIGING VAN PSYCHIATRISCH PATIENTENRECHT ADVOCATEN NEDERLAND

MET 473 LEDEN per 11 mei 2026

bottom of page