top of page

HR 13-03-2026 Overschrijding beslistermijn op verzoek aansluitende ZM, dus max 6 maanden

Wvggz. Overschrijding beslistermijn op verzoek aansluitende ZM. Dus einde van rechtswege. Verzoek toewijsbaar voor maximaal 6 maanden.


Verzoek om aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden, art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz; overschrijding beslistermijn art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz, verval machtiging van rechtswege, art. 6:6 lid 2 Wvggz. Hoge Raad doet zelf af, art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:398


1 Procesverloop


Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/691676 / FA RK 24-9572 van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 6 januari 2026, en tot afdoening door de Hoge Raad zelf door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden tot en met uiterlijk 20 augustus 2025.


2 Uitgangspunten en feiten


In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij beschikking van 22 januari 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 22 januari 2025.

(ii) Bij verzoekschrift van 24 december 2024 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

(iii) Blijkens het proces-verbaal van de op 6 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling heeft de rechtbank de beslistermijn op de voet van art. 6:2 lid 4 Wvggz met drie weken verlengd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nieuwe medische verklaring over te leggen.

(iv) Blijkens het proces-verbaal van de op 27 januari 2025 voortgezette mondelinge behandeling heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek wederom aangehouden, dit keer voor onbepaalde tijd, om betrokkene de gelegenheid te geven opnieuw door een onafhankelijke psychiater te worden onderzocht.

(v) Bij mondelinge uitspraak van 20 februari 2025, schriftelijk uitgewerkt op 4 maart 2025, heeft de rechtbank (Rechtbank Rotterdam 20 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4363) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend, en bepaald dat deze tot en met 6 januari 2026 geldt.


3.1 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt dat de looptijd van de op 22 januari 2024 gegeven zorgmachtiging op het tijdstip waarop de bestreden beschikking werd gegeven – op 20 februari 2025 – reeds was verstreken. Daarom kon geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden worden verleend, maar hoogstens een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, aldus de klacht.


3.2

Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal (Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:88) onder 3.9-3.12.


Noot redactie: de AG overwoog:

"3.9

Ten aanzien van betrokkene was een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verleend tot en met 22 januari 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 24 december 2024, en dus eerder dan vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging (vgl. art. 6:6 lid 2 Wvggz).


3.10

De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 14 januari 2025) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Deze beslistermijn heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling op 6 januari 2025 met toepassing van artikel 6:2 lid 4 Wvggz met drie weken verlengd (noot van de AG: de mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 6 januari 2025 plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens de zitting de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip en de officier van justitie verzocht een nieuwe medische verklaring over te leggen. In het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“De rechtbank is van oordeel dat in de medische verklaring weliswaar een diagnose staat vermeld, maar dat onvoldoende duidelijk is waarop die is gebaseerd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijke psychiater op te vragen.).


3.11

Nu de aanvankelijke beslistermijn van drie weken (eindigend op 14 januari 2025) met drie weken is verlengd, moest de rechtbank uiterlijk op 4 februari 2025 beslissen (art. 6:2 lid 4 Wvggz) (noot AG: Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 januari 2025 zal de rechtbank uiterlijk op 27 januari 2025 een voortgezette mondelinge behandeling plannen, dus drie weken na 6 januari 2025. Of de rechtbank er daarbij van uitgaat dat de verlengde beslistermijn op 27 januari 2025 eindigt, kan ik uit dat proces-verbaal niet opmaken). De rechtbank heeft niet binnen deze verlengde termijn beslist, maar pas op 20 februari 2025. Daardoor is de lopende machtiging van rechtswege vervallen (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 4 Wvggz) (noot AG: zonder verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz zou de lopende machtiging al na 14 januari 2025 vervallen zijn). Dat de rechtbank de behandeling tussentijds nog een keer, en nu voor onbepaalde tijd, heeft aangehouden, maakt dit niet anders (Noot AG: vgl. ook HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.5 en de conclusie van A-G Drijber van 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:984, onder 3.4, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530, JGz 2025/62, m.nt. red. onder JGz 2025/60).


3.12

Gelet op het voorgaande voert het middel terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden. De hierop gerichte klacht van het middel slaagt."


3.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Omdat de zorgmachtiging niet aansloot op een eerdere zorgmachtiging in de zin van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, kon de rechtbank slechts een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden, op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. De Hoge Raad zal daarom de duur van de verleende zorgmachtiging beperken tot zes maanden, dus tot en met 20 augustus 2025.


4 Beslissing


De Hoge Raad:


- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 6 januari 2026;


- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 20 augustus 2025.


Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.



Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
VERENIGING VAN PSYCHIATRISCH PATIENTENRECHT ADVOCATEN NEDERLAND

MET 469 LEDEN per 21 februari 2026

bottom of page