Rb. MNL Lelystad 20 februari 2026
- Marten Kok
- 23 mrt
- 3 minuten om te lezen
Wvggz. De rechtbank kan weliswaar op grond van artikel 6:4 lid 2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ambtshalve zorgvormen toewijzen die niet zijn verzocht, maar de rechtbank is van oordeel dat dit wetsartikel niet bedoeld is om fouten van de officier van justitie te herstellen. Bovendien is het voor de rechtbank niet duidelijk welke vormen van verplichte zorg wel en welke niet zijn verzocht, terwijl artikel 6:4 lid 2 Wvggz alleen bedoeld is om de verzochte vormen aan te vullen.
Voortzetting Crisismaatregel afgewezen: verzoek voortzetting crisismaatregel zonder voorstel verplichte zorg en vormen van verplichte zorg incompleet (2e pagina leek weggevallen).
Zaaknummer: C/16/607157 / FZ RK 26-130
Datum uitspraak: 20 februari 2026 (niet gepubliceerd).
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
<betrokkene> geboren op <<>>, hierna te noemen betrokkene, wonend in <<>>,verblijvend bij GGZ Centraal, locatie De Meregaard in Almere, advocaat: mr. M.A.D. Kok.
1. Het verloop van de procedure
1.1. De rechtbank heeft, na doorverwijzing vanuit de rechtbank Rotterdam op 18 februari 2026 het verzoekschrift met bijlagen ontvangen.
1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat
<<>>, verpleegkundig specialist.
2. Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in GGZ Centraal, locatie De Meregaard in Almere. De burgemeester van de gemeente Rotterdam heeft de crisismaatregel op16 februari 2026 afgegeven.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.
4. De beoordeling
4.1. De rechtbank wijst het verzoek af. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank dit doet.
4.2. In het verzoek dat de rechtbank van de officier van justitie heeft ontvangen ontbreekt de tweede pagina. Ook de advocaat en de zorgverantwoordelijke beschikken niet over pagina twee. Hierdoor is het verzoek voor alle aanwezigen incompleet. De rechtbank heeft de officier van justitie een dag voorafgaand aan de zitting hiervan op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld om deze fout te herstellen, maar de officier van justitie heeft hier geen gebruik van gemaakt. De officier van justitie heeft niet gereageerd. Gelet op het einde van pagina 1 en het begin van pagina 3, vermoedt de rechtbank dat op de tweede pagina de verzochte vormen van verplichte zorg gedeeltelijk worden genoemd. Deze pagina is derhalve noodzakelijk om te weten waar de rechtbank precies over moet beslissen. De rechtbank kan weliswaar op grond van artikel 6:4 lid 2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ambtshalve zorgvormen toewijzen die niet zijn verzocht, maar de rechtbank is van oordeel dat dit wetsartikel niet bedoeld is om fouten van de officier van justitie te herstellen. Bovendien is het voor de rechtbank niet duidelijk welke vormen van verplichte zorg wel en welke niet zijn verzocht, terwijl artikel 6:4 lid 2 Wvggz alleen bedoeld is om de verzochte vormen aan te vullen. Ook de medische verklaring kan niet gebruikt worden om de inhoud van het verzoek te reconstrueren, omdat de officier van justitie een zelfstandige rol en verantwoordelijkheid heeft in de keuze wat wel of niet verzocht wordt. De rechtbank weet dus niet waarop zij moet beslissen, en wijst daarom het verzoek af.
5. De beslissing
De rechtbank:wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door mr G.J. Baken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Pel, griffier en op schrift gesteld op 06 maart 2026.


Opmerkingen